Alambiek

Een van die apparaten die ik al wat langer in mijn bezit heb is een alambiek, die ik via Marktplaats gekocht heb. Een alambiek is een eenvoudig koperen destilleerapparaat dat men vaak gebruikt om likeuren te maken. Men vult het vat met de te destilleren vloeistof en zet de deksel erop vast m.b.v de aandraaischroef. Vervolgens steekt men de brander aan en gaat wachten. De koperen pijp aan de top eindigt in een koperen spiraal die opgerold in de tweede bak ligt. Deze kan men vullen met water hetgeen dient als koelmedium om de damp te laten condenseren. De spiraal eindigt in een opening die aan de onderkant uit het vaatje komt, waar men dan de gedestilleerde alcohol in een bekertje kan opvangen.

Nadat ik de alambiekt gekocht had heb ik het proberen te testen door wat spiritus te destilleren, hetgeen echter fout liep omdat de afdichtring tussen deksel en vat gebroken was. Het apparaat begon te lekken en ik heb het experiment afgebroken. Jammer genoeg was de lak op de basisplaat vervolgens aangetast.

Recentelijk lukte het mij om een nieuwe afdichtring op de kop te tikken en besloot ik het experiment (iets uitgebreide) te herhalen. Het grote vat heb ik gevuld met een alcohol water mengsel en ook heb ik temperatuursensors aangebracht op de keten zelf (halverwege) en op de koppeling pijp-spiraal.

Het experiment verliep nu voorspoedig en ik heb netjes alcohol overgedestilleerd. Dat heb ik op een vrij eenvoudige manier aangetoond door een beetje destillaat in een porseleinen bakje te gieten en aan te steken. Het brandde met een nagenoeg kleurloze lichtblauwe vlam en liet geen verbrandingsresten achter. Daarnaast zijn er natuurlijk ook nog de karakteristieke geur en de temperatuur waarbij het destillaat wordt overgedestilleerd (ca. 80 oC) die aangeven dat er inderdaad alcohol werd overgedestilleerd.

  • Eric van Schoonenberghe, Paul Spapens, Peter Zwaal, Michael van Gier; Tersluiks – Alcoholsmokkel en sluikstokerij in de lage landen; Snoeck; 2012; ISBN 97861610621

Optisch effect monoliet

In de katalyse maar ook in destillatie worden monolieten o.a. gebruikt dragermateriaal of als vulmateriaal om een hoog oppervlak te creëren. Als je deze tegen het licht houdt krijg je een apart optisch effect te zien. Alle licht schijnt door het midden te gaan, dit terwijl je eigenlijk door alle kanalen heen kunt kijken. Nu kan ik me herinneren daar eens een mooie uitleg over gelezen te hebben ik kan deze echter niet meer vinden. Ik vermoed dat het er mee te maken heeft dat het licht gedwongen wordt parallelle paden te doorlopen zodat je alleen nog dat licht kan zien dat op de lens valt. Ik zou dit echter nog wel eens willen verifiëren.

Schaalamoebe – Centropyxis aculeata

Op een NGVM microscopieavond heb ik in een monster fijn bezinksel uit de grindlaag van een aquarium een mooie schaalamoebe gevonden. Het gaat hier om de Centropyxis aculeata.

In tegenstelling tot de welbekende amorfe amoebes bezitten schaalamoebes een schaal waarin ze zich kunnen terugtrekken.  Schaalamoeben vindt men vrijwel overal waar het nat of vochtig is.  Schaalamoeben worden tot de Rhizopoden (wortelpotige) gerekend, een subdomein van de Protozoa.

De amoebe zelf is een beetje protoplasma dat in staat is uitstulpingen te vormen (schijnvoetjes, pseudopodia) waarvan de belangrijkste functie het tasten naar voedsel is, het vervolgens te omsluiten, waarna het voedsel verteerd wordt. In het plasma van elke amoebe vindt men minstens één kern, de nucleus, zichtbaar als een helder blaasje met daarin één of meer donkerder delen. Het plasmalichaam is omsloten door een schaal, de theca, waarin zich bij de meeste soorten één opening (schijnmond, pseudotoom) bevindt waardoor de pseudopodia naar buiten kunnen treden en waardoor het organisme contact heeft met het omringende milieu.

Literatuur:

  • J. Siemensma; “Schaalamoeben”; Natura; Mei 1982; p. 95-105.
  • Heinz Streble, Dieter Krauter; “Das Leben im Wassertropfen”; 12de druk; Kosmos; 2010; ISBN 9783440126349; p. 234, 235.

Capillaire werking in een waterwig

Als men aan capillaire werking denkt dan is de eerste daaropvolgende gedachte het omhoogkruipen van water in een zeer nauw buisje. Een eenvoudig experiment, dat men vaak in oudere natuurkunde boeken kan terugvinden, demonstreert capillaire werking als functie van de afstand tussen twee glasplaten. Het enige wat men nodig heeft is twee glasplaatje, twee klemmetjes, een stukje hout, een bakje en wat water waar men eventueel wat kleurstof in kan doen. Plaats de klemmetje aan een kant van de glasplaatje, plaats het houtje tussen de glasplaatjes tegenover de klemmetjes en plaats dit geheel in het bakje met water. Zoals men op onderstaande foto kan zien kruipt het water omhoog als de afstand tussen de twee plaatjes kleiner wordt waarbij men in deze opstelling een mooie hyperbolische curve kan waarnemen.

Grammofoonplaat

Soms zie je een foto of schets die ervoor zorgt dat je je onmiddellijk iets gaat afvragen. Recentelijk zag ik in een boek een afbeelding met daarop weergegeven geluidsspoor groeven op een oude vinyl grammofoonplaat en ik vroeg me af of ik die groeven ook op een van mijn eigen microscopen zou kunnen waarnemen. Hoogstwaarschijnlijk wel maar ik was me er niet helemaal zeker van. Ook in mijn jeugd heb ik nooit veel platen in mijn bezit gehad en ben pas een beetje muziek gaan verzamelen bij de opkomst van de CD’s. Veel herinneringen heb ik niet op dit gebied.

Om deze vraag op een betrouwbare manier te kunnen beantwoorden gaat men vervolgens op weg naar de kringloopwinkel en koopt daar voor een schijntje een oude vinyl 45 toeren grammofoonplaat, neemt deze mee naar huis en bekijkt de plaat onder de microscoop. Onder de stereomicroscoop kan men inderdaad de groeven goed waarnemen. Een foto maken is echter wat lastiger. Een USB microscoop met ingebouwde verlichting werkt dan veel beter zoals op onderstaande foto te zien is. De geluidssporen alsmede stofkorrels zijn duidelijk waarneembaar (vergroting 200 x). Ik heb nog eens goed met het blote oog gekeken maar dan zijn deze groeven niet waarneembaar.

Stuifmeel

Als er een object is dat een dankbaar onderwerp is voor microscopisten dan is het stuifmeel. Elke bloemsoort maakt zijn eigen unieke stuifmeelkorrel.

Het stuifmeel bevat de mannelijke geslachtorganen oftewel gameten van een bloem en zit opgeslagen in de helmknop van de meeldraad. Het overbrengen van stuifmeel van de helmknoppen van de ene bloem op de stempel van een bloem die tot dezelfde soort hoort heet bestuiving. In principe zijn er twee mechanismes voor bestuiving nl insectenbestuiving en windbestuiving hetgeen invloed heeft op de vorm van de stuifmeelkorrel. Stuifmeelkorrels die door insecten meegedragen worden bevatten vaak fijne uitsteeksels zodat het stuifmeel makkelijk aan het insect blijft vastkleven. Stuifmeel dat door de wind meegedragen wordt is glad en bevat luchtblaasjes zodat de korrel gemakkelijker door wind gedragen kan worden. Beide soorten zijn te zien op onderstaande foto.