In de herfst komen de paddenstoelen op waarbij men ook wat microscopisch onderzoek kan uitvoeren. In dit geval heb ik een sporenpatroon gemaakt door de hoed van een (kleine) paddenstoel gedurende de nacht op een glazen (dia)plaatje te leggen. Na ’s morgens de hoed verwijderd te hebben kan men de glasplaat onder de microscoop leggen.
(Euromex ML2000, Objectief 20x, Luckyzoom YW500 HD 5MP USB Cmos Camera Electronic Digital Eyepiece)
Al jaren lid zijnde van de KNNV afdeling Haarlem maar daar nog niet veel mee gedaan hebbende besloot ik recentelijk de Basiscursus Paddenstoelen te volgen. Twee avonden les in het determineren van paddestoelen en een excursie bij Koningshof waar we het geleerde in praktijk brengen.
Tijdens de excursie heb ik onderstaande foto gemaakt.
Een foto die ik al weer een tijdje geleden genomen heb van een fietspad na een regenbui. Het kleurenspectrum geeft aan dat er wat olie gelekt is. Het kleurenspectrum ontstaat doordat het olielaagje (met verschillende diktes) op het waterlaagje drijft. Zowel de top als de bodem van dit laagje zullen licht reflecteren en zo ontstaan er interferentiepatronen hetgeen zich manifesteert als een kleurenpatroon. Men noemt dit fenomeen dunne-film interferentie.
The is ondertussen al meer dan een jaar geleden dat ik in het Technisch Museum Wenen onderstaande demonstratie opstelling van een “Gravity Well” oftewel een zwaartekrachtveld zag. Een driedimensionale representatie van een vierdimensionale werkelijkheid. Het demonstreert op een mooie manier de baan die een object beschrijft (komeet, planeet, zon) als het in een zwaartekrachtveld komt, geen stabiele baan kan vinden en er uiteindelijk door verzwolgen wordt.
Als men de huidige
discussies en rapportages in de media over klimaatverandering en stijgende CO2-emissies
volgt dan kan men wel eens de indruk krijgen dat dit een probleem is waarvan we
pas recentelijk bewust werden. Dat is echter duidelijk niet het geval.
De eerste die het effect van stijgende CO2 concentraties in de lucht op de gemiddelde temperatuur op aarde modelmatig beschreef was Arrhenius in 1896. Volgens zijn berekeningen zou een verdubbeling van de CO2 concentratie leiden tot een gemiddelde stijging van de oppervlakte temperatuur met 5 oC
Bij het doorbladeren van
mijn papieren archief, op zoek zijnde naar informatie over een ander onderwerp,
stuitte ik in het tijdschrift “Archimedes” van 1984/85 op een, naar mijn mening,
interessant artikel. Archimedes was een natuurkunde- scheikunde- en sterrenkundetijdschrift
voor jongeren dat werd uitgegeven door de NVON via Wolters-Noordhoff. Jammer genoeg is het
opgeheven.
De titel van het artikel dat
ik interessant vond was “Toename van het koolstofdioxidegehalte in de
atmosfeer: een ramp?”. Zoals de titel aangeeft behandelt het artikel van 3
pagina’s de effecten van toename van CO2 in de atmosfeer. Er wordt gerefereerd
naar de CO2 metingen in Hawaï die sinds de jaren 50 uitgevoerd
werden, een klimaatmodel werd besproken en toegelicht, de rol die CO2
in het klimaat speelt alsmede de factoren die invloed uitoefenen op het CO2
gehalte in de atmosfeer en uiteindelijk de betekenis voor de toekomst. Het kan
geen kwaad om zich te realiseren dat het IPCC zijn
allereerste overzichtsrapport in 1990 publiceerde en dit populairwetenschappelijk
artikel dus 6 jaar eerder verscheen.
Op enkele detailpunten na
is dit artikel niet wezenlijk anders dan de populairwetenschappelijke artikelen
die tegenwoordig over dit onderwerp verschijnen zijn maar er zijn een paar
punten die in dit artikel vermeld worden die ik wil benadrukken.
Ten eerste Figuur 4, de grafiek die als functie van de tijd de relatie weergeeft tussen de CO2 concentratie in de lucht en de temperatuurstijging in graden Celsius.
Er wordt voor 2020 een CO2 gehalte voorspeld van 0.03 %, in werkelijkheid is dat 0.04 % geworden, 25% meer dan indertijd voorspeld. De voornaamste reden is dat CO2 -emissies sneller zijn toegenomen dan 35 jaar geleden verwacht werd. Globale CO2 emissies zijn verdubbeld sinds de jaren 70 van de vorige eeuw.
Wat mij echter vooral raakte
bij het lezen van dit artikel was de laatste alinea dat de “De toekomst”
behandelde. Enkele citaten:
“We kunnen ook proberen de CO2-uitstoot te
verminderen door ander energiebronnen te gaan benutten zoals windenergie,
getijdenenergie enzovoort.
Misschien kan in de toekomst met behulp van zonne-energie
water ontleed worden in waterstof en zuurstof.
Waterstof kan vervolgens als brandstof gebruikt
worden. Bij het verbranden van waterstof ontstaat weer water.
Ook kunnen we proberen CO2 op te vangen
en op een bepaalde manier op te slaan bijvoorbeeld in geëxploiteerde aardgas en
olievelden.”
De reden dat ik deze
citaten zo confronterend vind is dat we nu 35 jaar verder zijn en nog exact zo
over de potentiele oplossingen van de klimaat problematiek praten. Er is wel
een beetje vooruitgang geboekt maar als ik deze zinnen lees is het beschamend
om zich te realiseren hoe weinig vooruitgang er geboekt is. En technoloog
zijnde, vind ik dat dit ook opgaat voor de ontwikkeling van de benodigde technologieën.
Van een artikel van Paul
Voosen in Science over de betrouwbaarheid van steeds complexere
klimaatmodellenis zou men kunnen stellen dat dit punt daardoor benadrukt wordt. Bij modellering moet men altijd in zijn
achterhoofd houden dat modellen op zijn best een grove simplificatie van een
complexe realiteit weergeven. Zoals reeds vermeld schatte Svante Arrhenius in dat een verdubbeling van
de CO2 concentratie in de lucht de gemiddelde oppervlaktetemperatuur
met 5 °C zou laten stijgen. Moderne klimaatmodellen, zoals ze tot nog toe
gebruikt worden, voorspellen een stijging in een range van 2° tot 4.5 °C. Een nieuwe generatie van nog complexere
modellen ontstaat en deze voorspellen een stijging van 5 °C voor een stijging
van de CO2 concentratie van 280 ppm tot 560 ppm. Het werk van
Arrhenius zou je als een “Back of the Envelope”
berekening kunnen beschouwen, maar ook die kan het zo te zien aardig kloppen.
Oftewel, we zijn nu meer dan een eeuw bekend met de problematiek maar zijn nog
niet echt veel opgeschoten met het implementeren van oplossingen.
In de huidige discussies wordt, naar mijn persoonlijke mening, nogal snel geroepen dat de industrie maar de hele energie transitie moet betalen omdat ze de ”hoofdschuldigen “zijn. Wetgeving en consumptie wordt uiteindelijk echter bepaald door burgers, die de politici en politieke partijen kiezen. De laatsten stellen de politiek programma’s en wetsvoorstellen op. Het gehele proces zou in theorie met een kruisbestuiving tussen alle groepen moeten plaatsvinden. Het artikel in Archimedes toont echter aan dat de problematiek al vele decennia bekend is en ook indertijd aan bet publiek en politici gepresenteerd is. Men kan dan ook de stelling poneren dat burgers en politici (en ook de industrie) decennialang de kop in het zand gestoken hebben en het probleem of ontkend, genegeerd, vooruitgeschoven of een combinatie daarvan gehanteerd hebben. Je kunt je ook afvragen waarom industrie en politiek in al die jaren niet veel meer geld in R&D hebben gestoken. Dan was de kans groot dat er nu werkbare oplossingen beschikbaar zouden zijn die het laboratorium en pilotplant ontstegen waren.
Het eten van bananen wordt om medische redenen geadviseerd aangezien bananen een goede bron van kalium zijn hetgeen helpt om de bloeddruk wat lager te houden. Een kleine hoeveelheid van dat Kalium (0.0117%) is het radioactieve isotoop 40K. Het isotoop vervalt onder uitzenden van bèta straling met een halfwaardetijd van 1.26 x 109 jaar. Men kan zichzelf dus de vraag stellen hoeveel straling een banaan afgeeft.
Een grote banaan bevat ca. 900 mg K hetgeen overeenkomt met 7.02 x 10-5 g 40K. De snelheidsconstante kunnen we afleiden van de halfwaardetijd m.b.v. k = ln2 / t1/2 hetgeen een k geeft van 1.75 x 10-17 s.
M.b.v. de 1ste orde vergelijking: dN/N = – kt en t = 1 s berekenen we dat voor 1 mol (N = 6.022 x 1023 atomen, 1 mol = 40 g) van 40K geldt dat 1.05 x 107 (= dN) atomen per seconde vervallen.
Voor de banaan geldt dan: 1.05 x 107 / 40 = x / 7.02 x 10-5 met x = 18.4
Een grote banaan heeft dan een 40K stralingsactiviteit van 18.4 Bq (becquerel, het aantal atoomkernen dat per seconde radioactief vervalt). Ter vergelijk, het menselijk lichaam heeft een activiteit van 120 Bq/kg en melk heeft een activiteit van 40 Bq/l.
Literatuur:
David. W. Ball; “How Radioactive Is Your Banana”; Journal of Chemical Education; 2004 10 81; p. 1440
Bij een bezoek aan het Natuurhistorisch Museum Maastricht kreeg ik iets boeiends te zien. Levende bijen in een honingraat zoals in onderstaande filmpje te zien is. Het krioelt nog al. Om de een of andere reden was ik helemaal vergeten dat de bijen erg dicht op elkaar zitten.
Enige tijd geleden keek ik op mijn werk uit het raam en zag ik “rook” uit onderstaande schoorsteen komen. Bij net een beetje beter kijken kan men zien dat het om watercondensatie gaat. De warme lucht die uit de schoorsteen komt is goed te zien als een turbulente wervel. De slierten die men ziet zijn een gevolg van dichtheidsverschillen die zich weer vertalen naar verschillen in brekingsindex (Schlieren). Het warme gas koelt af en water condenseert uit hetgeen men kan zien als de wolkvorming. Een dynamische faseovergang. Daarnaast kan men mooi zien dat warme lucht opstijgt.
Lichtbreking is een fenomeen dat we allemaal kennen. In eerste instantie als de buiging van een lichstraal als zich deze door een ander medium gaat bewegen. Het meeste bekend is natuurlijk de regenboog waar waterdruppeltjes als een prisma gaaan fungeren. Recentelijk zag ik een mooi voorbeeld bij het betreden van een gebouw. Ergens is er een stuk glas dat als prisma fungeert waarbij dan een spectrum van zonlicht op de grond geprojecteerd wordt.
Ik heb het idee dat dit tegenwoordig, doordat we meer glas gebruiken in gebouwen vaker voorkomt dan vroeger. Ik kan me nl niet herinneren dat ik er in mijn jeugd vaak zulke licht spectra zag terwijl ik het tegenworrdig vaker lijk te zien (kan natuurlijk ook een psychologisch effect zijn de “frequency illusion“, ook wel Baader-Meinhof fenomeen genoemd).